Politieke marsen overschaduwen nationale feestdag in Hongarije: “We zitten vast in verdeeldheid”
Op de hoek van de straat staat politie. Grote ijzeren hekken blokkeren een groot deel van de straten. Boedapest is op zondagochtend, 15 maart 2026, allesbehalve rustig.
Twaalf banners met rood-, wit- en groene strepen vullen de horizon: van de ene kant van de tweebaansweg tot aan de overkant. Op elk van de banners staat een tekst, een punt, geschreven door revolutionairen. Ze wapperen in de wind en steken scherp af tegen de strakblauwe lucht. Maar van wie zijn de twaalf punten vandaag? Van Orbán, de oppositie of het hele land?
Op het grote plein worden flyers uitgedeeld door vrouwen in traditionele Hongaarse kleding: de een in het groen, de ander in het oranje of blauw. Hun lange rokken passen bij de blousejes die ze dragen. Witte kragen en kanten details lichten op in de zon. Ondanks het mooie weer is het ’s ochtends nog fris.
Achter hen staat een standbeeld van een man die Jókai heette. Op zijn borst zit een kokárda gespeld, een rozet in de kleuren van de Hongaarse vlag. Niet alleen het standbeeld draagt zo’n kokárda, bijna iedereen die ervoor staat te wachten draagt er een op de borst.
Rond het plein staat apparatuur opgesteld: boxen, kabels en een tafel waar een technicus overheen gebogen staat. Er hangt spanning in de lucht. Langzaam wordt het warmer. De vrouwen die eerst flyers uitdeelden, spreken nu mensen aan: “Maradj még egy kicsit. Blijf nog even, er komt straks meer aan.”
Om stipt 10 uur vormt een rij met de vier vrouwen in de gekleurde jurken. Achter hen staat een grote mand met tulpen in alle kleuren. Het geklets van jong en oud stopt, en gaat over naar geklap en gejuich. Het kleine plein staat helemaal vol, gefocust op wat er komen gaat. De eerste tonen van het volkslied klinken door de speakers. Iedereen, de mensen op het zelfbedachte podium en het publiek, leggen hun hand op hun hart. Tegelijk beginnen ze mee te zingen. “God, zegene de Hongaren…”

De eerste spreker stapt op het podium. Een kleine man, volledig in pak, stapt met grote passen naar het midden, tussen de verklede vrouwen in. Zijn zwarte schoenen zijn glanzend opgepoetst, maar zijn kokárda straalt nog feller. Er klinkt geklap en gejoel vanuit de menigte op het kleine plein. Jong en oud zitten in spanning te wachten op de eerste woorden van de burgemeester van district 6, Tamás Soproni.
“Beste Terezálasi-vierders, vandaag is de dag. Hier en nu gaan we stilstaan bij onze geschiedenis.” De echo van het geklap galmt nog door de straat, als een bevestiging van de saamhorigheid. Diverse mensen pakken hun telefoon om alles te kunnen filmen. De mensen kijken op naar deze man, dat zeker. Hij gaat verder met zijn speech. “Dank u wel dat u vanmorgen voor deze ingetogen maar prachtige manier hebt gekozen om de herinnering aan 1848 te eren.”

Hij haalt een van de flyers tevoorschijn die eerder aan het publiek waren uitgedeeld. Op de flyer staan twaalf punten, dezelfde twaalf punten die op de banners boven in de straat hangen. Soproni spreekt zich niet uit over de politieke leiders, maar wil hiermee een duidelijk punt maken: het land valt uit elkaar door de verdeeldheid.
Precies 178 jaar geleden, op 15 maart 1848, begon in Hongarije een nationale revolutie tegen het bewind van de Habsburgse monarchie. Jonge revolutionairen, onder wie Sándor Petőfi, trokken door Budapest om hun ideeën te verspreiden. In cafés en op pleinen lazen zij de twaalf beroemde eisen voor. Ze wilden onder andere persvrijheid, een nationale regering en onafhankelijkheid van het Habsburgse rijk. Drukkers gingen te werk zonder toestemming van de autoriteiten, een daad van verzet.
Steeds meer burgers sloten zich aan, de menigte groeide tot een vastberaden partij die verandering eiste. Voor het nationaal museum verzamelden duizenden mensen zich, waar Petőfi zijn gedicht voordroeg dat opriep tot vrijheid. Zonder geweld dwong deze beweging politieke hervormingen af, de beroemde ‘twaalf punten’. Hoewel de strijd later werd neergeslagen, bleef 15 maart een symbool van moed en nationale eenheid. Daarom wordt deze dag nog elk jaar herdacht: als het moment waarop Hongaren massaal opstonden voor vrijheid en zelfbeschikking. Maar is dat waar vandaag daadwerkelijk om draait?
De politici die nu verkiesbaar zijn, gebruiken deze nationale feestdag om hun eigen politieke verhaal kracht bij te zetten. Vrijheid, onafhankelijkheid en volkssoevereiniteit waren niet alleen in 1848 relevant, maar staan nu ook centraal. 12 april zijn de Hongaarse verkiezingen.
Viktor Orbán, de premier van Hongarije, is inmiddels zestien jaar aan de macht. Dit wordt de eerste keer dat een andere politicus, Péter Magyar, een kans maakt om te winnen. Er is veel verdeeldheid in het land over wat het best is voor de toekomst.
Op elke lantaarnpaal zijn campagneposters vastgezet. Op de meeste posters staan partijleden met ‘stem Fidesz’ of ‘stem Tisza’, en de laaghangende posters waren beklad. Op een aantal staan Volodymyr Zelenski, Ursula von der Leyen, en Peter Magyar afgebeeld als verraders, op een andere poster staat Magyar als Brussel-fluisteraar. Aan de gebouwen hangen spandoeken, waarin de ene partij wordt geprezen of belachelijk gemaakt wordt. Je kunt niet om de verkiezingen heen.

Soproni begint te praten met meer drang in zijn stem. Niemand kan van hem wegkijken, zelfs niet de politie die op de hoek van het plein staat. “Zijn wij in staat te geloven dat vrijheid, gelijkheid en menselijke solidariteit geen oude woordspelingen zijn, maar levende betekenissen? Zijn we in staat een gemeenschap op te bouwen? Zijn we in staat elkaar niet als vijanden, maar als bondgenoten te zien?” Soproni maakte een wegwerpgebaar naar zijn linkerkant, waar nu de mars van Orbán begint. Dit is volgens hem een van de redenen dat Hongarije uit elkaar valt. Ook de vrouw met de groene jurk die achter de burgemeester staat, balt haar vuisten.
Tweehonderd meter verderop komen honderden kleine busjes aan, vol met mensen die van buiten de stad komen. Orbán heeft een vredesmars voorbereid, en zijn volgelingen, ook vanuit buiten de stad, zijn uitgenodigd. Patriottische muziek klinkt door de speakers, samen met gelach, gejoel, en gejuich. Ongeveer 180.000 mensen liepen mee met de vredesmars om steun te betuigen aan hun leider. “Hajrá Magyarország! Vooruit Hongarije! Béke, béke! Vrede, vrede!”
De grote menigte loopt over de Margaretabrug naar het Kossuthplein. De zon schijnt en weerkaatst onder de brug op het water. Borden worden omhooggehouden, waar in grote letters ‘Fidesz’ opstaat. Verschillende vlaggen wapperen boven de mensen. De Hongaarse vlag is veel zichtbaar, maar ook de Oekraïense vlag die beklad is met kruisen.
Het Kossuthplein stroomt vol, waar een opgelaten sfeer hangt. De hoeveelheid politieagenten en camera’s zijn niet te tellen. Alles en iedereen staat te wachten, terwijl steeds meer mensen aansluiten op het plein. De speakers beginnen licht te kraken, en nog geen seconde later is een oorverdovend applaus te horen. Orbán loopt het podium op, terwijl het geklap en gejoel mindert. Hij begint te praten, over oorlog en vrede, de dreiging van buitenaf. Hij gaat ervoor zorgen dat Hongarije niet verstrengeld raakt met de oorlog in Oekraïne, en ver weg blijft van het bemoeiende Brussel. “Wij verbinden ons ertoe dat wij zelfs in zo’n turbulente wereld Hongarije zullen behouden als een eiland van veiligheid en rust.”
Soproni laat zich niet afleiden door de speech van Orbán, die overal door de stad door de speakers te horen is. Hij praat niet luider dan eerst, dat is niet nodig. De mensen luisteren gefocust, en blokkeren al het kabaal vanuit de buitenwereld. De burgemeester benadrukt dat we de helden die de revolutie mogelijk hebben gemaakt, niet moeten vergeten. Hij vertelt over een vrouwelijke soldaat, die heeft gevochten tegen het Habsburgse rijk. In die tijd waren er nog weinig vrouwelijke soldaten, en zij begon een trend. Niemand weet hoe de vrouw heette, maar hij gaat zijn best doen om te zorgen dat haar acties niet vergeten worden.
“Laten we ons hoofd buigen voor de moed van de jongeren van maart, en laten we de tromgeroffel voortzetten die in het voorjaar van 1848 door dit land galmde, want zoals Lühímánel zei: Het is niet ons hartenbloed dat ons tot staatsburger maakt, maar onze gezamenlijke hartslag. Lang leve de Hongaarse vrijheid, lang leve het vaderland!”
De burgemeester neemt het geknik en geklap in ontvangst, en wijst naar de verkleden vrouwen. Zij pakken de zorgvuldig bewaarde tulpen die achter hen staan. De verschillende tulpen worden uitgedeeld. Er vormt een rij met mensen die een voor een met de tulp hun eer tonen aan het standbeeld van Jókai, waar iedereen zich voor heeft verzameld. Jókai was een held, die in 1848 heeft geholpen met de twaalf punten schrijven. Kinderen huppelen, leggen de bloem neer, en lopen lachend terug naar de ouders. Een ouder echtpaar, dat een bos bloemen vasthoudt om later neer te leggen, blijven wat langer staan. Ze staan stil bij alles wat er gebeurd is, de twaalf punten, en hoe daardoor de huidige politiek is gevormd.
In tegenstelling tot de mars van Orbán, begint de vredesmars van Magyar met een speech, en eindigt met de mars. De oppositie begint met een hoopvolle toon, zijn heldere stem galmt over de straat. Ongeveer 500.000 mensen staan te luisteren. Een moeder heeft haar hand op de schouder van haar dochter gelegd. Rijen met kinderwagens staan aan de zijkant, zodat ze nog iets kunnen zien zonder in de weg te staan. Een man van middelbare leeftijd, geheel in rood-wit-groene kleding, stopt snel zijn telefoon weg om goed te kunnen luisteren.
“Ons land staat stil. We zitten vast in verdeeldheid”, zegt Magyar. Hij praat over de dreiging van binnenuit, en roept op tot eenheid. Zijn stem wordt steeds luider en feller, en hij bekritiseert de huidige regering. “De Orbán-dynastie is rijk geworden van jouw geld, het is jouw geld dat zij hebben gestolen.”
Borden met ‘Tisza’ erop worden uitgedeeld. De sfeer is gemoedelijk, met veel jonge mensen, hier en daar wat ouderen. Langs de weg staan tafeltjes met eten en drinken; water, en chimney cakes, een typische Hongaarse snack. Er zit weinig beweging in de lange rij van mensen die meelopen met de mars. Er wordt langzaam gelopen, en veel stilgestaan. De zon schijnt vel op de hoopvolle menigte. De overweldigende zweetlucht om de menigte heen, wordt niet tegengehouden door de hekken die de Magyar-aanhangers wel tegenhouden.

Langs de weg staat een poster van Fidesz. De sfeer verandert. Duizenden mensen worden één stem, er wordt boos geroepen. Elke keer wanneer ze langs een poster of spandoek van Fidesz lopen, wordt er boos geroepen. “Árad a Tisza!” Samen komen ze op voor het grotere doel. Hun eigen borden en vlaggen gaan nog hoger de lucht in.
De tulpen zijn allemaal bij het standbeeld neergelegd. De traditioneel-geklede vrouwen zijn weggehuppeld. De burgemeester is nog wel aanwezig, druk aan het praten met een groepje mensen. Ondertussen gaat hij door zijn knieën, zodat hij een wat oudere golden retriever aandacht kan geven. De hond kwispelt, en kijkt blij om zich heen naar alle mensen. “Soproni is erg geliefd, hij maakt altijd tijd voor zijn mensen”, zegt een voorbijganger tevreden.
Hij maakt ook tijd om uit te leggen wat zijn doel is vandaag. “15 maart is een gemeenschappelijke feestdag voor alle Hongaren. Het is geen politieke kwestie, het is voor ons allemaal. Dat is de kracht van een lokale herdenking. Het maakt niet uit of je rechts of links bent, hier komen we samen om de geschiedenis te eren.”
Soproni vindt het waanzin dat Oekraïne maar liefs 25 keer in de speech van Orbán benoemd. Maar Sándor Petőfi, degene die de revolutie in 1848 begon, is geen enkele keer benoemd. En dat vandaag juist om de lokale helden gaat. “Niet alleen Petőfi, maar ook bijvoorbeeld de vrouwelijke soldaat zonder naam, en Jókai.” Hij kijkt naar het standbeeld waar iedereen zich voor had verzameld. De kokárda en de bloemen geven Jókai kleur. Al is het maar voor een dag, vandaag wordt er in ieder geval aan hem gedacht.

Binnenkort wordt er bij de komende verkiezingen in Hongarije opnieuw geschiedenis geschreven. Wat vindt het volk belangrijker?
Orbáns standpunten om de dreiging van buitenaf weg te houden, of Magyars standpunten om de dreiging van binnenuit te verdrijven? De burgemeester van district 6, hoopt in ieder geval dat de twee groepen (Fidesz en Tisza) bij elkaar komen, en stoppen met elkaar uitschelden. “Polarisatie is het probleem. Vandaag hebben we met een klein clubje laten zien dat we met z’n allen naar het verleden kunnen kijken. Dan kunnen we vast met z’n allen naar de toekomst kijken.”
