Jaring Brunia over het opzoeken van mentale grenzen: ‘Dat was zó mooi, juist omdat het zo zwaar was’
Na veertien kilometer fietsen door de Friese weilanden, langs vroege lentebloemen en onder een zachte zon, doemt Flansum op. Vier boerderijen, meer is het niet. Aan het einde van de weg staat een erf waar een man half over een trekker gebogen hangt. Sleutel in zijn hand, olie aan zijn vingers, geconcentreerd in zijn eigen wereld.
‘’Hé! Ik sleutel deze nog even af en dan kom ik bij je.’’
Achter hem klinkt het zachte geratel van metaal op metaal. Nog voor hij zich omdraait, komt hond Pien al enthousiast aangelopen. Even later vult het erf zich met geluid: vogels boven het land, koeien die ergens in de verte loeien. Alles beweegt, maar zonder haast.
In de stal staan kalfjes in het stro. Sommige tien dagen oud, één pas twee dagen.
‘’Ik word hier altijd wel heel blij van,’’ zegt Jaring Brunia (40) terwijl hij door het stro loopt. ‘’Ook al kost het veel werk.’’
Eergisteren kwam er nog één bij. Hij wijst naar een kalf dat half verscholen ligt.
‘’Deze was wel heel bijzonder. De meeste hebben wel iets wits op hun kop, maar deze is helemaal rood, op drie haartjes na.’’
Binnen aan de keukentafel valt het licht naar binnen door de grote ramen die uitkijken over hetzelfde land waar hij zelf opgroeide. Hij pakt een boterham, schuift zijn stoel naar achteren en gaat zitten alsof hij even pauze neemt van iets wat eigenlijk altijd doorgaat.
‘’Dit is echt mijn thuis,’’ zegt hij, terwijl hij naar buiten kijkt. ‘’Ik hou van de wereld en van reizen, maar hier liggen mijn wortels.’’
Kamp van Koningsbrugge
Juist vanuit die vaste grond zoekt hij iets anders op. Niet weg van het leven hier, maar er juist doorheen: grenzen, uitputting en avontuur.
Dat werd zichtbaar toen hij in 2022 meedeed aan het televisieprogramma Kamp van Koningsbrugge, waarin gewone burgers een zware militaire training volgen onder begeleiding van special forces en fysiek en mentaal tot het uiterste worden gedreven.
‘’Ik had gewoon zin in iets nieuws,’’ zegt hij, bijna luchtig. ‘’Iets debiels.’’
Voor hem ging het om meer dan alleen avontuur. Hij wilde zichzelf laten zien, misschien wel bewijzen.
‘’Ik sta hier in Friesland een beetje bekend als die hippieboer. Op blote voeten door het land, alles natuurlijk. Maar ik wilde ook laten zien dat ik gewoon knetterhard kan werken.’’
Even valt hij stil. Zijn handen rusten op tafel.
‘’Ik heb altijd wel bewijsdrang gehad.’’
De avond voor de opnames ligt hij thuis in bed. Het huis is stil, maar zijn hoofd blijft draaien.
‘’Ik zei tegen mijn vrouw: wat heb ik in godsnaam gedaan?’’ zegt hij over zijn aanmelding. ‘’Maar achteraf was het het allemaal waard.’’
Hij blijkt het programma als een van de weinigen volledig uit te lopen.
‘’Ik kan mijn gevoel uitzetten en doorgaan. Dat is denk ik waarom ik het gehaald heb.’’
Op de boerderij heeft hij dat ontwikkeld. Werk stopt hier niet omdat je moe bent. Dieren wachten niet, het land ook niet.
‘’Mijn grootste mentale uitdaging was het bedrijf zelf,’’ zegt hij. ‘’Ik wilde iets wat eigenlijk niet kon en waarvan iedereen zei dat het niet kon. Juist dat gaf me energie.’’
De keerzijde van altijd doorgaan
Maar altijd doorgaan heeft ook een keerzijde.
‘’Ik kon zo goed doorgaan, dat ik in het normale leven niet meer bij mijn gevoel kwam.’’
Lang zag hij dat als kracht.
‘’Ik had mezelf aangeleerd dat ik hard moest zijn om goed genoeg te zijn. Terwijl dat eigenlijk onzin is.’’
Toch blijft hij dat randje opzoeken. Niet als prestatie, maar omdat het hem iets laat voelen wat hij nergens anders vindt. Zoals laatst nog: tachtig kilometer lopen binnen twintig uur, een Kennedymars, samen met twee andere oud-deelnemers van Kamp van Koningsbrugge.
‘’Dat was zo mooi, juist omdat het zo zwaar was,’’ zegt hij, met een glimlach.
Hij leunt iets achterover.
‘’Omdat alles dan simpel wordt. Je bent moe, het doet pijn, maar je gaat door. En ineens vindt iemand een Snicker in zijn tas en deel je die. Dat soort momenten zijn zo puur.’’
De laatste jaren verandert zijn kijk op wat mentale kracht eigenlijk is.
‘’Mentale kracht is niet alleen doorgaan,’’ zegt hij langzaam. ‘’Het is ook eerlijk zijn en durven praten over moeilijke dingen. Dat vond ik lang heel lastig.’’
Die andere kant krijgt langzaam ruimte.
‘’Ik begin dat zachte stukje steeds mooier te vinden. Ik heb niet elke dag behoefte aan het harde, maar ook niet elke dag aan het zachte.’’
Hij probeert dat ook bespreekbaar te maken, vooral onder mannen. Op het platteland, zegt hij, is dat niet vanzelfsprekend. Daarom geeft hij lezingen en zoekt hij naar manieren om dat gesprek op gang te brengen.
Ondertussen draait zijn leven gewoon door: een biodynamische boerderij, vijf kinderen, coaching, spreken, reizen. En ergens daartussen de vraag hoe je dat allemaal blijft combineren.
‘’Ik denk er wel eens over na om te stoppen met boeren,’’ zegt hij. Hij zegt het zonder drama, bijna praktisch. ‘’En dat deel ik ook gewoon, ook op mijn socials. Dat het geen taboe is.’’
Maar nog niet.
‘’Ik houd nog te veel van het boerenleven.’’
Aan het einde van het gesprek gaat het over zijn kinderen. Hij kijkt even naar buiten, waar het land stil ligt in het licht.
‘’Ik probeer ze mijn visie mee te geven,’’ zegt hij. ‘’Maar ze mogen hun eigen fouten maken en hun eigen kijk ontwikkelen.’’
Hij lacht.
‘’Zolang ze maar fatsoenlijk en vriendelijk zijn en uiteindelijk hun eigen rekeningen kunnen betalen, vind ik het prima.’’
Buiten slaat een staldeur zacht dicht in de wind. Ergens schuifelt stro over beton. De laatste hap van zijn boterham is verdwenen. Jaring staat op, veegt zijn handen langs zijn broek en loopt weer naar buiten, het erf op, waar de kalfjes al wachten op zijn aandacht.

Foto: Wieger Fokkema
