Laura van Knippenberg, zondag 4 januari
ZWOLLE – De recente NRC-recensie van het boek ‘Uf’ heeft het debat over
studentenverenigingen opnieuw aangewakkerd. In het boek wordt een kritisch beeld geschetst
van het verenigingsleven, met nadruk op groepsdruk, hiërarchie en excessen binnen
traditionele studentencorpora. Volgens critici blijft daarbij één groep structureel onderbelicht:
de niet-corporale studentenverenigingen.Waar een groot deel van de Nederlandse studenten
lid van is.
Het boek en de recensie passen in een bredere maatschappelijke discussie over sociale
veiligheid en machtsmisbruik. Daarbij ligt de focus vrijwel altijd op corpora. “Dat is ook waar
de meeste excessen plaatsvinden,” zegt S. Groen, oud-lid van een niet-corporale
studentenvereniging in Rotterdam. “Maar daardoor ontstaat het beeld dat dit geldt voor álle
studentenverenigingen, en dat doet geen recht aan de diversiteit die er is.”
De vereniging waar Groen lid van was, telde ongeveer 350 actieve leden en had een medische
achtergrond. “We hadden wel regels en tradities, maar de sfeer was losser dan bij corpora,”
vertelt zij. “Er was weinig hiërarchie en nauwelijks onderscheid op basis van achtergrond of
familie.” Volgens haar draaiden de regels vooral om respect en verantwoordelijkheid. “Dat
zag je ook terug in hoe mensen met elkaar omgingen.”
Dat beeld sluit aan bij hoe Oikos Nomos, de grootste algemene studentenvereniging van
Zwolle, zichzelf positioneert. Vicevoorzitter Dianne van Hengel omschrijft de vereniging als
kleinschalig en toegankelijk. “Je moet Oikos niet vergelijken met verenigingen in grote
universiteitssteden,” zegt ze. “Omdat Zwolle geen universiteit heeft, zijn er minder studenten
die op kamers wonen of actief op zoek zijn naar een vereniging. Daardoor kent iedereen
elkaar en ontstaat er een open sfeer waarin je je snel welkom voelt.”
Een belangrijk onderscheid met corporale verenigingen zit volgens Van Hengel in de
hiërarchie en de financiële verplichtingen. “Je wordt hier niet verplicht veel geld uit te geven.
Iedereen betaalt zijn eigen deel.” zegt ze. “En het hiërarchische gevoel is veel minder
aanwezig.” De vereniging probeert bewust waarden als respect, openheid en verbondenheid
uit te dragen.
Uit een enquête onder leden van Oikos Nomos blijkt dat 91,7 procent het maken van nieuwe
vrienden ziet als grootste voordeel van het lidmaatschap. Daarnaast noemt 66,7 procent
persoonlijke ontwikkeling als belangrijke opbrengst. Driekwart van de respondenten zegt dat
de vereniging daar “duidelijk” aan heeft bijgedragen. Leden noemen commissiewerk, sociale
vaardigheden en zelfvertrouwen als belangrijke leerpunten.
Van Hengel herkent dat. “Als mensen binnenkomen ontwikkelen ze zich meteen op sociaal gebied. Iedereen komt van een andere achtergrond. Door commissiewerk leer je op een
laagdrempelige manier samenwerken, communiceren en projecten afronden in een
professionele setting.” Volgens haar nemen leden die vaardigheden mee in hun verdere studie
en carrière.
Ook het gevoel van veiligheid en acceptatie wordt door leden breed gedeeld. Ruim twee derde
voelt zich “heel erg” welkom binnen de vereniging, de rest “best wel”. Volgens Van Hengel
wordt daar actief op gestuurd. “Eerstejaars worden gekoppeld aan ouderejaars die een oogje
in het zeil houden. Daarnaast hebben we vertrouwenspersonen en vraagt het bestuur
regelmatig hoe nieuwe leden zich voelen.”
Tegelijkertijd laten de enquête-antwoorden zien dat ook niet-corporale verenigingen niet vrij
zijn van kritiek. Enkele leden wijzen op sociale druk, bijvoorbeeld rond alcoholgebruik, en op
grappen die als kwetsend kunnen worden ervaren. Deze signalen benadrukken dat ook binnen
niet-corporale verenigingen aandacht nodig blijft voor sociale veiligheid.
Van Hengel begrijpt de kritiek die in Uf naar voren komt, maar plaatst die in perspectief. “Ik
snap sommige punten zeker,” zegt ze. “Maar ik herken niet dat mensen in Zwolle zo
behandeld worden. Bij ontgroeningen wordt hier goed opgelet en er zijn altijd nuchtere
mensen aanwezig.” Volgens haar wordt problematisch gedrag te vaak exclusief gekoppeld
aan studentenverenigingen. “Onzekerheid en grensoverschrijdend gedrag zie je ook op
werkvloeren of bij sportclubs.”
Volgens zowel Van Hengel als Groen schiet het publieke debat tekort doordat niet-corporale
verenigingen nauwelijks worden meegenomen. “Er wordt te veel gefocust op het corps,” zegt
Van Hengel. “Terwijl verenigingen ook een belangrijke en positieve rol spelen in
vriendschappen, netwerken en de overgang naar volwassenheid.” Groen vult aan: “Als je alle
studentenverenigingen over één kam scheert, verdwijnt de nuance en het zicht op wat er wél
goed gaat.”

