ZWOLLE – Sinds corona is digitalisering in het Nederlandse onderwijs geen noodoplossing meer, maar een vast onderdeel van het onderwijs. Toch laat nieuw onderzoek zien dat de praktijk achterblijft bij de ambities op papier.
Toen scholen in 2020 sloten, schakelden leraren in hoog tempo over op digitaal lesgeven, vaak met geïmproviseerde middelen en weinig voorbereiding. Die periode dwong scholen te investeren in laptops, online platforms en digitale leermiddelen, waardoor een blijvende basis voor ict op school ontstond. De coronajaren maakten ook pijnlijk duidelijk hoe groot de digitale kloof tussen leerlingen kan zijn. Leerlingen zonder eigen laptop, rustige werkplek of stabiele wifi liepen vaker achterstanden op, iets waar scholen volgens onderzoekers nog steeds mee worstelen.
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 van Kennisnet, de PO-Raad en VO-raad blijkt dat bijna alle scholen inmiddels een digitaal beleidsplan hebben, maar dat dit lang niet altijd wordt geëvalueerd of vertaald naar dagelijks lesgeven. Schoolbesturen rapporteren ambitieuze doelen rond digitale geletterdheid, inzet van AI en informatiebeveiliging, terwijl leraren aangeven dat tijd, training en ondersteuning ontbreken om dit echt waar te maken. Volgens de monitor ligt de focus de komende jaren op drie thema’s: digitale vaardigheden van leerlingen, professionele ontwikkeling van leraren en veilige omgang met leerlinggegevens. Vooral in het primair onderwijs is de afhankelijkheid van enkele ‘ict-vaardige’ collega’s groot, wat de voortgang kwetsbaar maakt.
“Scholen hebben nu digitale plannen in de la, maar zonder tijd en training voor leraren blijft het bij mooie woorden. De monitor laat zien dat we harder moeten investeren in de klas zelf,” zegt Pim de Vente van de PO-Raad.
“Corona heeft ons gedwongen een digitale sprong te maken, maar we zijn nog lang niet klaar,” zegt Manel van Kessel, onderzoeker bij de Universiteit Leiden en adviseur voor kennisnet. Op veel scholen blijken de laptops inmiddels op orde, maar gebruiken teams dezelfde digitale middelen op heel verschillende manieren, waardoor de kwaliteit van lessen per klas sterk kan verschillen. Op sommige scholen leidt dat tot grote verschillen tussen lokalen op dezelfde gang. In de ene klas werken leerlingen met adaptieve oefenprogramma’s en digitale toetsen, terwijl de buurklas vooral met werkbladen en een digibord werkt. Voor ouders en leerlingen is vaak niet duidelijk waarom die verschillen zo groot zijn, merkt Van Kessel op. Volgens haar hangt de kwaliteit van digitaal onderwijs nu nog te veel af van de individuele leraar in plaats van van een gezamenlijke visie van de school.
De vraag is daarmee niet óf digitalisering blijft, maar of scholen erin slagen de lessen uit de coronaperiode om te zetten in duurzaam, gelijkwaardig onderwijs voor alle leerlingen.
