Winterswijk – Het is een doordeweekse middag in Winterswijk. De dertienjarige Akram komt terug van school en trekt later zijn sportkleding aan om te gaan voetballen. Zijn dagen lijken op die van veel andere jongeren: school, vrienden, sport. Toch woont hij met zijn familie in een asielzoekerscentrum. “Het is hier goed,” zegt hij, “maar het voelt niet echt als mijn huis.”

Akram weet niet hoelang hij hier nog zal wonen. Dat wachten is altijd aanwezig, ook op momenten waarop hij probeert gewoon jong te zijn. Wat hij het liefst wil, zegt hij zonder aarzeling, is een eigen huis. Dat spanningsveld tussen meedoen en wachten is kenmerkend voor veel jongeren die in asielopvang leven.

Voor Akram speelt zijn leven zich grotendeels buiten het AZC af. Hij gaat naar school en sport bij een lokale club, maar het gevoel van tijdelijk zijn blijft. “Je wacht eigenlijk altijd,” zegt hij. Het AZC is een plek om te verblijven, geen plek om echt te wortelen.

Landelijk wonen momenteel ruim 17.000 minderjarigen in asielopvanglocaties, blijkt uit cijfers van het Nederlands Jeugdinstituut. In totaal verblijven bijna 73.000 mensen in de opvang van het COA, verspreid over 318 locaties. Uit analyses van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat van de asielzoekers die in 2022 instroomden, 57 procent binnen een jaar een verblijfsstatus kreeg. Bij eerdere groepen lag dat percentage hoger. Tegelijkertijd blijft de instroom hoog, met in 2025 gemiddeld 900 tot 1.100 nieuwe asielzoekers per week.

Volgens VluchtelingenWerk Nederland verschillen de omstandigheden voor jongeren sterk per opvanglocatie. “Sommige jongeren komen op een vast AZC terecht, kunnen snel naar school en een ritme opbouwen,” zegt woordvoerder Evita Bloemheuvel namens VluchtelingenWerk Nederland. “Maar er zijn ook jongeren die steeds moeten verhuizen, in tijdelijke opvanglocaties wonen en vaak van school wisselen. Dat maakt hun situatie erg moeilijk.”

De duur van de asielprocedure speelt daarbij een grote rol. “Voor veel mensen duurt die momenteel meer dan twee jaar,” zegt Bloemheuvel. “Dat betekent dat jongeren lange tijd in onzekerheid leven, zonder te weten hoelang hun situatie nog duurt. Dat is mentaal erg zwaar.”

Die onzekerheid heeft zichtbare gevolgen. Volgens Bloemheuvel trekken jongeren zich vaak terug. Door het constante verhuizen moeten ze steeds afscheid nemen en opnieuw beginnen. “Op een gegeven moment hebben sommigen daar geen energie meer voor en sluiten ze zich af.” Jongeren blijven vaker op hun kamer, gaan minder naar school en verliezen motivatie om plannen te maken of de taal te leren.

Dat een asielzoekerscentrum zelden als thuis voelt, is herkenbaar, zegt Bloemheuvel. “Jongeren hebben weinig regie over hun leven. Ze kunnen vaak niet zelf koken, hebben weinig invloed op wat ze eten en met wie ze samenleven. Ze delen kamers of huisjes en hebben weinig grip op hun situatie.” Ook Akram herkent dat gevoel. Ondanks school en sport blijft het AZC voor hem een tijdelijke plek.

In Winterswijk is de opvang de afgelopen jaren juist verkleind. De gemeente heeft plek voor 500 mensen, maar vangt momenteel 400 vluchtelingen op, naast ongeveer 100 statushouders in een tijdelijke doorstroomlocatie. Volgens wethouder Elvira Schepers-Janssen, die asiel en migratie in haar portefeuille heeft, is die afbouw het gevolg van afspraken met omwonenden. “We hebben afgesproken dat de uitbreiding tijdelijk zou zijn. Daarna zijn we teruggegaan naar 400, zoals beloofd.”

Die keuze hangt samen met regionale afspraken in het kader van de spreidingswet. Andere gemeenten in de Achterhoek nemen nu ook opvang voor hun rekening. “Winterswijk breidt niet verder uit,” zegt de wethouder. Het AZC is bewust open ingericht. “Wij zijn het enige AZC zonder hekken en slagbomen.” Volgens haar komt criminaliteit rondom het AZC niet vaker voor dan in andere wijken.

Volgens Bloemheuvel versterken de problemen elkaar. Lange wachttijden in de asielprocedure en het tekort aan woningen zorgen ervoor dat jongeren ook na het verkrijgen van een verblijfsstatus in de opvang blijven. “Daardoor ontstaan tekorten aan AZC-plekken en worden noodopvanglocaties geopend en weer gesloten,” zegt Bloemheuvel. “Dat betekent dat jongeren opnieuw moeten verhuizen.”

Er zijn ook lichtpuntjes. Scholing wordt vaak relatief snel geregeld en COA en Nidos proberen jongeren zo lang mogelijk op één locatie te laten blijven. Vrijwilligers en buurtinitiatieven spelen daarbij een belangrijke rol. Toch verschilt dat sterk per plek.

Het negatieve beeld dat in het publieke debat vaak bestaat over jongeren in de opvang, herkent Bloemheuvel nauwelijks. “Het overgrote deel van de jongeren veroorzaakt geen overlast, gaat naar school en probeert mee te doen,” zegt Bloemheuvel. Volgens haar blijft onderbelicht hoeveel veerkracht jongeren tonen na alles wat zij hebben meegemaakt.

Voor Akram verandert dat voorlopig weinig. Hij gaat naar school, sport en bouwt sociale contacten op, terwijl hij wacht op duidelijkheid over zijn toekomst. Zolang de doorstroom uit asielopvang traag blijft en de instroom hoog is, zullen jongeren als hij blijven leven tussen hoop en stilstand: meedoen aan het dagelijks leven, terwijl ze niet weten waar dat leven zich uiteindelijk zal afspelen.