Voor Gerrie begon het allemaal in 2019. “Je komt binnen als aankomend opstapper,” vertelt ze. “Dan krijg je drie jaar opleiding: theorie, praktijk, vaarbewijzen, communicatie. Je moet uiteindelijk alles kunnen.” Want je weet nooit wie er aan boord is wanneer de melding binnenkomt. Dus iedereen leert varen, communiceren, slepen, reanimeren alles.
“Het werk is vrijwillig, maar niet vrijblijvend,” vult Jan aan, die al sinds het begin bij het reddingsstation betrokken is. Hij stond in 2001 aan de wieg van het station. Wat begon met een groep van zo’n 35 enthousiaste mensen, groeide uit tot een hecht team dat dag en nacht klaarstaat.
De eerste inzet vergeet je niet.
“Een week nadat we operationeel begonnen waren, stortte er een lesvliegtuig neer. Drie mensen overleden.” “Dan denk je: als dit de standaard is, waar zijn we aan begonnen?”Toch gingen ze door. Want naast de zware momenten zijn er talloze andere verhalen. Mensen met motorpech. Ouderen die huilend van opluchting van boord worden gehaald. Een hond die midden in de nacht naar de dierenarts moest, maar de taxi wilde hem niet meenemen. “Dat was hun kindje,” zegt Jan. “Dan doe je dat gewoon.”
Het is een pré om binnen een straal van 10 minuten te wonen om opstapper te worden bij de KNRM. Het water is onvoorspelbaar. De ene keer is het een sleepje terug naar de haven. De andere keer is het ‘prio 1’: iemand te water, een boot omgeslagen. Dan telt elke seconde. “De eerste vier personen die ter plaatse zijn gaan,” legt Jan uit. “Binnen vijf à zes minuten kunnen we varen.”
Die adrenaline? Die went nooit helemaal.
“Bij prio 1 voel je het wel,” zegt hij. “Dan gaat het echt ergens om. Dat is waarvoor je dit doet.” Gerrie knikt. “Maar je doet het samen. We zijn één team. We praten ook met elkaar na heftige dingen.”Want ja, die zijn er. Een auto die het water in rijdt. Een brand op een schip. Een kano-ongeluk waarbij niet iedereen het redt. “Dat neem je mee,” zegt Jean eerlijk. “Maar op de weg gebeurt ook veel. Wij hebben alleen het water als werkgebied.”
En dat water verbindt.
Eens per jaar is er de mogelijkheid mee te gaan met een trainingsprogramma met redders uit Noorwegen, Denemarken, Finland. Oefenen met helikopters. Leren hoe je ondersteboven uit een cabine ontsnapt. “Binnen een dag ben je één team, ook al kom je uit verschillende landen,” vertelt Gerrie over haar uitwisseling in Noorwegen. “Iedereen heeft dezelfde passie. Iedereen wil mensen helpen.”
Toch is het niet altijd spectaculair. Soms blijkt een grote zoekactie een loos alarm. Soms laat iemand zijn boot expres drijven. Dan baal je wel. “Je laat alles vallen,” zegt Gerrie. “Maar uiteindelijk ga je altijd. Want stel dat het wél echt is?”
Dat is de kern van het werk. Gaan, ook als je niet weet wat je aantreft
Het combineren met school, werk of gezin? Dat vraagt flexibiliteit. Je moet binnen tien minuten op het station kunnen zijn. Overdag is dat soms lastig, want iedereen werkt. En juist daarom zoeken ze jongeren.
“Je mag vanaf je achttiende beginnen,” zegt Jan. “Maar we zien ze niet veel meer.” Vroeger bleven mensen soms tientallen jaren. Nu gemiddeld zeven. “Er is zoveel afleiding, maar dit geeft je iets wat weinig andere dingen geven.”
Wat dan precies?
“Verantwoordelijkheid. Teamgevoel. Ervaring die je de rest van je leven meeneemt, En je maakt verhalen mee die je nooit meer vergeet.Gerrie glimlacht. “Als de pieper gaat, weet je: we gaan iemand helpen. Dat gevoel is onbeschrijfelijk.”
Misschien is dat wel de reden dat ze blijven komen. Niet voor de spanning. Niet voor het spektakel.
Maar voor dat ene moment waarop iemand veilig aan wal stapt en jij weet: vandaag hebben we het verschil gemaakt.
