Een leven als brandweerman: “Als je er eenmaal mee in aanraking komt, blijf je voor altijd”

Het is vroeg in de ochtend in de brandweerkazerne in Zwolle. De geur van koffie hangt in de lucht, collega’s dollen wat met elkaar en beneden in de garage glimmen de brandweerwagens in het licht van de opkomende zon. Over een paar minuten kan de pieper gaan, maar misschien ook pas vanmiddag. Dat weet niemand.

Martijn Bosch (47) werkt inmiddels bijna twintig jaar als beroepsbrandweerman in een 24-uursdienst. Zijn loopbaan begon niet hier, maar bij de jeugdbrandweer in Coevorden. “Een kennis van ons zat bij de vrijwillige brandweer. Ik ben een keer gaan kijken bij de jeugdbrandweer en eigenlijk nooit meer weggegaan,” vertelt hij met een glimlach. Wat begon als hobby, groeide uit tot een beroep. “Ik wilde er mijn werk van maken. Toen heb ik gesolliciteerd in Zwolle om als beroeps aan de slag te gaan en werd ik aangenomen.”

Ondertussen klinkt er in Nederland steeds vaker een verontrustend geluid over de brandweer: vooral bij vrijwilligers groeit het personeelstekort. Mensen hebben het drukker, combineren meerdere banen of hebben minder tijd voor vrijwilligerswerk. Bij de beroeps is dit tekort minder. Maar hoe is het eigenlijk om brandweerman te zijn? En wat maakt dat mensen ondanks de risico’s toch voor dit beroep kiezen?

Voor brandweerman Martijn is het antwoord duidelijk. “Als je er eenmaal mee in aanraking komt, blijf je voor altijd.”

Geen dag hetzelfde

Een gemiddelde werkdag begint om zeven uur ’s ochtends met de dienstwissel. De oude ploeg vertrekt, de nieuwe neemt het over. “Dan krijgen we de indeling,” legt Martijn uit. “De ene keer ben je chauffeur, de andere keer zit je op de hoogwerker, achter in het voertuig of ben je duiker. Als duiker redt je bijvoorbeeld mensen of dieren uit het water.”

Na de overdracht controleren ze de voertuigen. Slangen, ademlucht, gereedschap, alles moet kloppen. “Daarna doen we boodschappen, want we zitten hier 24 uur. We koken ’s avonds zelf.” Tussen het serieuze werk door klinkt iets huiselijks: een groep mannen in uniform die samen naar de supermarkt gaan om ingrediënten voor het avondeten te halen.

De ochtend staat meestal in het teken van oefenen. Brandoefeningen, hulpverlening, oriëntatie bij waterlocaties in de stad. “Je moet weten waar alles zit. Dat kan het verschil maken.” Om elf uur is het tijd voor sport. Onder begeleiding van een instructeur werken ze aan kracht, conditie en teamtraining. “We moeten regelmatig gekeurd worden, dus we houden onszelf fit.”

Toch kan elk moment anders verlopen. Gemiddeld drie tot vijf keer per dienst gaat de pieper. “Dat kan van alles zijn: een brand, een ongeluk, een reanimatie, een kat in de boom.” Zodra het alarm klinkt, verandert de sfeer in seconden. “Dan ga je direct in focus. Zo snel mogelijk naar beneden, via de trap of de glijpaal, en binnen anderhalve minuut moeten we op straat rijden.”

De eerste uitruk

Zijn eerste uitruk als brandweerman herinnert Martijn zich nog goed. “Dat was gelijk een heftige. Een ongeluk op de N34. Een meisje was zwaargewond en achteraf bleek het iemand te zijn die ik kende.” Even valt hij stil.

Dacht hij toen: waar ben ik aan begonnen?

“Het was heftig, ja. Maar ik heb geen moment getwijfeld om te stoppen. Integendeel, het motiveerde me juist om mensen te helpen.” Dat typeert hem. Waar anderen misschien zouden afhaken, vindt hij bevestiging in de betekenis van zijn werk.

Mooie momenten in zware situaties

Het vak van brandweerman draait niet alleen om vuur. “Mensen denken vaak dat we alleen brandjes blussen, maar er komt veel meer bij kijken.” Reanimaties, verkeersongevallen, duikincidenten, soms gaat het letterlijk om leven en dood.

“Een mooi moment is als je bij een reanimatie iemand weer met hartslag de ambulance in krijgt,” zegt hij. “Of toen er in Coevorden een ontploffing was en een speciaal team een jongetje van vijf onder het puin vandaan haalde. Dat zijn geluksmomentjes. Dat je het samen voor elkaar krijgt.”

Die nadruk op ‘samen’ komt telkens terug. Brandweerwerk is teamwerk. “Je moet elkaar kunnen vertrouwen. Je doet alles met elkaar, de leuke en de minder leuke dingen.”

Timo Schunselaar, een collega van Martijn, zegt dan ook dat je altijd op hem kunt bouwen. “Martijn is behulpzaam, betrouwbaar en zelfverzekerd. Hij verstaat zijn vak en is erg gedreven. Verder kan ik altijd bij hem aankloppen wanneer er iets is, naast dat hij een goede brandweerman is, is hij ook een fijne gesprekspartner.

Personeelstekort

Over de afgelopen jaren zijn er verschillende nieuwsartikelen naar buiten gekomen over het feit dat verschillende brandweerkazernes in Nederland steeds meer last krijgen van een tekort aan personeel. Zo meldt Omroep Brabant in 2024 dat de brandweer in Moerdijk bij twintig van de zestig oproepen niet kon uitrukken, vanwege een tekort aan personeel.

Martijn merkt hier zelf niets van. “Het personeelstekort komt eigenlijk alleen maar voor bij de vrijwilligers, omdat het toch vaak een grote belasting is om naast je ‘echte’ baan nog vrijwilliger te zijn bij de brandweer. Mensen worden steeds drukker, en hebben daardoor helaas minder tijd voor vrijwilligerswerk.”

Bij de beroeps is dit anders, volgens Martijn. “Er zijn altijd wel mensen die als beroeps willen werken, soms is er zelfs een wachtlijst.”

Het verschil tussen beroeps en vrijwilligers is dat beroepsbraandweerlieden fulltime werken in 24-uursdiensten, terwijl vrijwilligers zelf gewoon een andere baan hebben en via een pieper worden opgeroepen. Er is geen verschil in kwaliteit of taken; beide groepen volgen dezelfde professionele Manschap-opleiding en voeren identieke werkzaamheden uit bij brand, stormschade en ongevallen.

Mentale belasting

Toch is het werk niet zonder risico’s, fysiek én mentaal. “Je neemt altijd meer risico dan normaal. Als een huis in brand staat, loopt iedereen eruit, en wij gaan naar binnen.” Daar zijn ze voor getraind, benadrukt hij, maar gevaar is nooit volledig uit te sluiten. Bij zo’n training worden situaties die je in de praktijk kan meemaken nagebootst om de brandweermannen zo goed mogelijk voor te bereiden.

Ook mentaal kan het zwaar zijn. “Er zijn mensen die PTSS overhouden aan dit werk.” Volgens Martijn wordt daar binnen de brandweer steeds meer aandacht aan besteed. Na elke heftige inzet volgt een nabespreking. “We drinken koffie en bespreken wat er is gebeurd. Hebben we allemaal hetzelfde beeld? Zit iedereen er hetzelfde in?”

Praten is essentieel, zegt hij. “Je kent elkaar door en door. Als iemand ergens last van heeft, merk je dat. Dan help je elkaar.” Thuis vertelt hij wel dát er iets is gebeurd, maar niet in detail. “Ik wil mijn gezin daar niet mee belasten. Met collega’s kan ik beter praten, die weten hoe het is.” Annelies, Martijn zijn vrouw, vindt het niet erg dat Martijn niet alles deelt thuis. “Het is aan hem wat hij wel of niet wil delen. Hij vertelt al best veel, alleen niet tot in detail. Ik weet dat ze begeleid worden en dat hij zijn verhaal met collega’s kan delen.”

Trots en kameraadschap

Wanneer is hij het meest trots? “Als je samen een klus hebt geklaard. Dat je weet: we hebben alles gedaan wat we konden.” Het gaat niet om heldendom, maar om resultaat en inzet.

Fouten maken mag ook. “Iedereen maakt fouten. Als je er maar van leert. Daar is een nabespreking voor.” De openheid binnen het team zorgt ervoor dat kritiek geen aanval is, maar een kans om te groeien.

Volgens Martijn is het juist die sterke onderlinge band die mensen bij de brandweer houdt. “Als je eenmaal weet hoe het werkt, dan blijf je. Het zit in je DNA.” Zijn eigen zoon zit inmiddels bij de jeugdbrandweer en is doorgestroomd als leiding. Het vak wordt als het ware doorgegeven.

Toekomst en innovatie

De brandweer verandert mee met de tijd. Nieuwe technologieën maken het werk veiliger. “We hebben nu bijvoorbeeld een blusrobot. Als een gebouw te gevaarlijk is om binnen te gaan, kunnen we die naar binnen sturen.” Ook onderwaterrobots doen hun intrede. “Het maakt het werk niet per se makkelijker, maar wel veiliger. En een mensenleven is belangrijker dan materiaal.”

Over de toekomst maakt hij zich weinig zorgen. “Ongelukken en branden zullen er altijd zijn. Dus we zullen altijd nodig blijven.” Wel is er onzekerheid over hoelang beroepsbrandweermensen fysiek inzetbaar moeten blijven, maar daarover lopen nog onderzoeken.

Nu is het zo dat brandweermannen kunnen doorwerken als hun fysiek dat toelaat. Dat resulteert in brandweermannen die soms een jaar of vijfenvijftig zijn. Critici vinden dat het werk als brandweerman te zwaar is om tot je vijfenvijftigste door te werken. Ook zeggen ze dat oudere brandweermannen een risico kunnen vormen.

Voor jongeren die twijfelen over hun toekomst heeft Martijn een duidelijke boodschap: “Verdiep je eens in de brandweer. Het kan heftig zijn, maar je haalt er ook heel veel mooie dingen uit. De kameraadschap, het gevoel dat je echt iets betekent voor een ander, dat is bijzonder.”

Leave comment

Your email address will not be published. Required fields are marked with *.