De hoogstaande zon is warm, de lucht is blauw: het is barbecueseizoen. De geur van gegrild vlees vliegt over de haag naar de tuin van Tjitske Verweijen. “Welk dood beest heb je nou weer op je barbecue gelegd,” vraagt de veganist aan haar buurman. Die vraag wordt beantwoord met een geïrriteerde frons. “Ja vriend, ga nou niet zielig lopen doen. Het is toch ook een dood beest?”

Tjitske Verweijen (43) eet al sinds haar 30e veganistisch, een manier van leven die draait om het vermijden van dierlijke producten. Ze had altijd al een afkeer tegen vlees eten omdat ze geen dieren kon doden. De directe aanleiding voor haar was de varkenspest in de late jaren 90. Als laatste maatregel om de epidemie uit te roeien, besloot Belgische minister voor landbouw dat varkens binnen een straal van één kilometer van een koortshaard moesten worden afgeslacht. Dit betrof uiteindelijk 12 miljoen varkens. “Op televisie zag je dat ze allemaal werden vermoord en in een groot gat in de fik werden gestoken,” vertelt ze op serieuze toon. “Toen ik dat zag dacht ik: ik wil geen onderdeel meer zijn van deze industrie.”

Uit de Monitor Duurzaam Leven 2025, een tweejaarlijks onderzoek van kenniscentrum Milieu Centraal, blijkt dat ruim een kwart van de Nederlanders maximaal drie keer in de week vlees eet. Toch is het aantal mensen dat vlees en alle andere dierlijke producten volledig laten vallen sinds 2023 gedaald, van 2% naar 0,5%.

“Ik ben er van overtuigd dat je niet zonder dieren kan om de cirkel rond te krijgen,” aldus Tjitske. Lederen producten koopt ze alleen tweedehands, zoals de paardrijlaarzen voor haar dochter, en dan ook het liefst biologisch: “Soms ontkom je er niet aan, maar goed. Dat zijn kleine concessies in het leven die je moet doen om het leefbaar te houden.”

Haar duurzame gedachtegoed is haar met de paplepel ingegoten. Haar moeder zorgde altijd dat alles werd hergebruikt, en haar vader was erg begaan met het klimaat en milieu. “Ik ben van huis uit opgevoed met bewust en duurzaam leven, dus is niet heel gek dat ik daar zelf ook verder in ben ontwikkeld,” legt ze uit.

Sinds haar 30e is ze veganist, de enige in haar huishouden. Haar man en dochters eten af en toe wel vlees, ei en kaas, maar daar heeft niemand last van. “We hebben gewoon veel pannen.”

Over het algemeen eten ze thuis wel veganistisch, zoals een veganistische rendang of roti. “We hadden ook een Libanese ovenschotel. Die was eigenlijk op basis van gehakt, maar er zitten zoveel verse kruiden in dat het ook goddelijk is als je het gehakt weg laat.” Thuis hebben ze er weinig last van. “De kinderen zeiden: het is niet vies.”

Veganisten gebruiken in de leer geen producten die afkomstig zijn van dieren. maar

Als Tjitske met haar dochters door de supermarkt langs de vleesafdeling loopt hoort ze het hen al zeggen: “Dit is de dode beestenafdeling!” Ze zijn erg begaan met de dieren in de vee-industrie. “Als je kijkt naar schapen, die worden over het algemeen halal geslacht. En dat is niet een hele fijne manier om dood te gaan. Dan sta je daar te wachten totdat je aan de beurt bent. Dan wordt je zuster open gesneden aan de keel. Gorgelend gaat ze,” legt Tjitske uit met het gorgelgeluid van een stervend dier. “Dan weet jij dat jij aan de beurt bent daarna. Dat hele idee staat mij enorm tegen.”

Volgens Tjitske zijn er ook manieren om wél vriendelijk te slachten. “Ik ken een slager in Oenen, en die doet dat op de meest vriendelijke manier. Hij heeft maar een paar dieren, waardoor ze geen stress van elkaar hebben. Hij schiet ze in een keer dood, met een pin. Het feit dat het gewoon kleinschalig is maakt het minder heftig voor de dieren,” vertelt ze.

De veganist probeert haar manier van leven niet te veel te promoten: “Men hoeft niet tegelijk te veranderen van gedrag, want dat is heel moeilijk. Ik vind wel dat je je mag beseffen wat de consequenties ervan zijn.” Ze heeft al een paar collega’s op Het Nieuwe Veld overtuigt. Zij eten nu minder of biologisch vlees, en niet meer van de supermarkt. “Dat is voor mij pure winst.”

Een collega heeft eens aan Tjitske gezegd dat ze minder commentaar moest geven op het eetgedrag van de mensen om haar heen, omdat niemand meer zou luisteren. “Dat heeft me toen wel aan het denken gezet. Dat ik dacht: ja, ik kan beter een vraag stellen.” Of mensen haar vervelend vinden zal haar worst wezen, “maar ik denk wel als ik iemand wil bereiken moet ik het anders formuleren. Dat is het enige wat ik er dan uit haal. Als je het niet voor de dieren doet, doe het dan voor je medemens.”