Overvolle roosters, opstapelend werk en minder tijd voor jezelf. R. is negentien jaar en begeleid ondertussen drie jaar met een matig tot ernstige verstandelijke beperking bij een stichting in de zorg. Als begeleider heeft ze last van de hoge werkdruk, waardoor ze soms tot 40 uur in de week over moet werken. Door bezuinigingen krijgt ze nog meer werk op haar bordje en ziet ze van dichtbij hoe sommige collega’s daarom ontslag nemen. R. heeft veel passie voor haar werk en krijgt er veel liefde voor terug, maar soms ten koste van haar vrije tijd.
R. heeft de opleiding voor persoonlijk begeleider niveau 4 geleerd, maar werkt nu in de functie van begeleider in niveau 3. “Ik ben dus niet het eerste verantwoordelijke aanspreekpunt van een cliënt, tot nu toe niet tenminste.” In 2023 is R. begonnen met stage lopen in de zorg in het eerste jaar van haar opleiding, voor 10 weken bij een zorg stichting. “Hierna deed ik nog een stage van 20 weken op dezelfde instelling, dus de zomervakantie tot begin 2024. Hierna ben ik blijven hangen en ben ik werken en leren gaan doen. Dit duurde tot de zomer 2025. Nu ben ik er nog steeds aan het werk. Dus ik zit ongeveer dik 3 jaar in het werkveld.” Voor R. was de keuze voor het zorgvakgebied niet moeilijk. “De bewoners en het team. De liefde die je terugkrijgt van je werk van de bewoners is voor mij goud waard. Ook het werken in het team blijft het werk leuk maken.”
Bij sommige bewoners helpt R. helemaal met de zorg. Dus wassen, aankleden, tandenpoetsen, douchen en eten geven. “En anderen help je weer zoveel mogelijk door ze te begeleiden en met de handen op de rug te werken. Eerst laten we dan de cliënten iets zelf doen en helpen wij daarna. Denk aan napoetsen of na wassen.” Dit geldt voor de zorg, maar ook bij de algemene dingen. Denk aan samen eten of samen een activiteit doen. “Helpen kan op een manier waarin je bewoners ondersteunt, maar dit kan ook op een manier dat je ze “pratend” helpt. Dus inderdaad met je handen op de rug en alleen je stem gebruiken. Ik ben er als begeleider en ben er om te helpen als de cliënt het zelf niet kan.”
Er ontstaan soms crisissituaties waarmee R. om moet gaan. “Een voorbeeld toen een bewoner onrustig was en twee borden op de grond gooide. Hij had een andere cliënt uitgescholden, waardoor hij ook boos werd en ze zowat elkaar de haren in vlogen. R. heeft een pieper bij zich waar ze alle collega’s mee bereikt en die heeft ze toen ingezet. “Je probeert dan op de juiste manier te begeleiden en het probleem te verminderen of op te lossen.” R. draait nu ongeveer een jaar mee tijdens de slaapdiensten, omdat ze daarvoor nog in opleiding was. “Eigenlijk zien die niet zo spannend uit. Er is 1 nachtdienst en 1 slaapdienst. Zo slaapdienst is van 23:00-7:00 en van vrijdag op zaterdag tot 8:00. Je mag dan gewoon slapen, is er iets in de nacht waar de nachtdienst je bij nodig heeft belt de nachtdienst.”
R. ervaart de hoge werkdruk als zorgmedewerker. Bijvoorbeeld als een collega ziek is en er vervanging moet komen. Ze voelt zich al snel schuldig als het haar niet lukt om te werken. “Ook speelt het personeelstekort mee. Wij worden vaak boven ons contract ingedeeld of veel op dezelfde groep gezet terwijl we op 2 groepen staan, dus afwisseling is er niet veel. Dit is in de gehandicaptenzorg echt wel nodig.” Ook ziet R. om zich heen dat collega’s stoppen door de werkdruk. “Mijn oude werkbegeleidster was er helemaal klaar mee. Dit kwam door de werkdruk maar ook door hoe onze nieuwe teamleider te werk ging. Er werd niet naar haar verhaal en haar wensen geluisterd. Haar wensen hadden veel met bepaalde diensten of vrij krijgen te maken.”
Ondanks dat R. met veel plezier haar werk uitvoert, zit er voor haar ook een mindere kant aan door de werkdruk. “Soms werk ik 40 uur boven mijn contract. Ik heb een contract om 28,5 uur in de week te werken. Dan merk ik echt dat ik weinig vrije tijd en tijd voor mezelf heb. Ik vind vooral irritant dat je de ene keer 4 dagen vrij bent, en de andere keer een reeks hebt van 16 diensten. Ook hebben wij na 2 nachtdiensten de dag erop gewoon weer een dienst of een reeks staan wat soms gewoon te zwaar is.” Zelf heeft R. er wel invloed op, omdat ze dit kan melden. Haar roostermaker wil hier ook graag rekening mee houden. “Een voorbeeld is dat ik een bepaalde dienst niet fijn en spannend vond. Mijn roostermaker heeft me daarom zoveel mogelijk op die dagen op een andere groep gezet. Het is fijn dat ze hier dan wel rekening mee houden.”
R. heeft een tijd meegemaakt dat er ineens meerdere collega’s stopten waardoor zij veel moest werken, onder andere door de hoge werkdruk. “De kwaliteit wordt dan inderdaad minder omdat het werk dan ook minder leuk wordt. Je merkt dit op de werkvloer maar ook in het team. Er zit dan een negatieve sfeer in de groep. Dit is dan bijvoorbeeld omdat er weer ziekte is en er zo weinig bezetting is waardoor iemand anders de dienst moet gaan oplossen.” R. ervaart ook meer druk door de bezuinigingen op haar werk. Doordat er is bezuinigd op het huishoudenspersoneel, heeft ze meer werk.
R. heeft er over nagedacht of het werk op deze manier vol te houden is. “Als er niet meer naar mijn wensen wordt geluisterd en de werkdruk te hoog gaat liggen. Denk dan aan diensten oplossen, weinig afwisseling en geen gezellig teamverband door de werkdruk.” Ook geeft ze aan dat ze als ze later gaat trouwen meer regelmaat in haar werk zou willen. “Dit zou voor mij een reden zijn om of te minderen, in de flex te gaan werken, dus soms nog in de avond of in het weekend omdat je zelf de diensten kan invullen, of een baan te zoeken met regelmaat.” Dit kan voor R. in de zorg zijn of een heel ander werkveld.” Nu ik jong ben kan dit nog, word ik ouder dan zou ik dat fijn vinden.”
Zelf heeft R. een paar ideeën hoe ze meer zorgmedewerkers zouden kunnen trekken. “Ik denk dat het belangrijk is dat er meer reclame wordt gemaakt om echt te laten zien wat nu de gehandicaptenzorg inhoudt. Veel mensen denken als ze gehandicapten zorg horen van ‘oh bah dan moet je billen afvegen ‘of oh die mensen zijn eng dat zou ik echt niet kunnen.’ Laat die mensen maar is een dagje meelopen, zodat ze kunnen zien hoe leuk het werk wel niet is.” Zo hoopt R. dat er in de toekomst meer collega’s in het zorgwerkveld komen. “Ik heb gehoord dat er niet meer veel studenten van mbo-scholen de opleiding tot persoonlijk begeleider gaan doen. Er zijn op dit moment ook geen stagiaires wat betekend dat we minder mensen kunnen trekken. Ik hoop dat dit in de toekomst veranderd.”
R. geeft aan dat de zorg stichting waar ze werkt in het algemeen heet goed scoort in de kwaliteit van het werk. “Er zijn veel trainingen, verdiepingsdagen, vergaderingen en vertrouwenspersonen waar je terecht kan. Ook de medewerkers zijn goed op de hoogte van de modellen die we moeten toepassen op ons werk. Bijvoorbeeld het asbm model, wat zich richt op ons werkklimaat en de refomatorische kijk op de zorg. Hier hebben we ook elk jaar een training van. Alleen is het jammer dat door het personeelstekort en de bezuinigingen we deze kwaliteit niet altijd volledig kunnen volbrengen.” Ook zijn de groepen De groepen zijn volgens R. goed verdeeld, op het niveau van de cliënt. “De teams zijn naar mijn weten ook goed. Als ik naar mijn eigen team kijk hebben wij een mondig team. Dit kan goed zijn maar is soms ook ingewikkeld. Ook al is iedereen zo mondig is iedereen er toch voor elkaar.”