De provincie Friesland schieten jagers al meer dan twintig jaar verwilderde katten af ter bescherming van weidevogels. De Raad van State bevestigde vorige maand dat Friesland dit als enige provincie mag blijven doen. Maar hoe effectief is dat beleid nou echt? “het helpt geen donder.”
Een lange weg met aan weerszijden bedrijfspanden, elk verscholen in hun eigen straatje. De zon schijnt op het zwarte asfalt, het is stil op het industrieterrein in Numansdorp. In een van de straatjes staat het pand van stichting zwerfkatten Nederland de sleutel zit nog in het slot van het pand. Carien Radstake, bestuurder van de stichting, lacht als ze het ziet. “Hier komen toch alleen maar bekenden,” zegt ze. “De sleutel is hier veilig.” Eenmaal binnen is het opvallend rustig. De hokken zijn groot, schoon en leeg. “Dit is eigenlijk heel bijzonder,” zegt ze terwijl ze door de gang loopt langs de verblijven. “Normaal gesproken zitten hier katten. Nu is het helemaal leeg.”
In 2020 schoot Friesland 447 verwilderde katten af. Het beleid is gebaseerd op een besluit uit 2003 dat sindsdien nooit is heroverwogen. De wet stelt dat afschot alleen als laatste redmiddel mag worden ingezet, nadat alternatieven zijn geprobeerd. Maar Carien Radstake heeft daar een duidelijke mening over. “Hoeveel grote, door de provincie aangestuurde TNRC-projecten zijn er de afgelopen tientallen jaren gedaan in Friesland?”
vraagt ze. Ze geeft zelf het antwoord: “Nul. Het is helemaal niet het laatste redmiddel. Ze zijn gewoon van oudsher tientallen jaren gewend om katten af te schieten.”
TNRC staat voor Trap, Neutraliseer, Return of Relocate en Care — het vangen, castreren en herplaatsen van zwerfkatten. Stichting Zwerfkatten Nederland past deze methode toe op meer dan tweeduizend katten per jaar. In Utrecht leidde een driejarig TNRC-project ertoe dat het afschot volledig werd afgeschaft. Maar in Friesland bleef het bij één eenmalige pilot: een ren van tachtig meter lang, gefinancierd door de provincie, die daarna niet werd voortgezet. Carien Radstake: “Het is het goedkoopst en het makkelijkst. Maar het is niet de oplossing dat blijkt ook na al die tientallen jaren.”
Aan de andere kant van het debat staat Titus Sijmonsma, bestuurslid van de Bond van Friese Vogelwachten en een van de jagers die de katten afschiet. Hij ziet het probleem dagelijks met eigen ogen. “Met een warmtebeeldcamera zie je ’s nachts echt heel veel katten,” vertelt hij. Volgens Sijmonsma reageert een verwilderde kat instinctief op beweging in het veld — net als een vos of wolf. “Dat leer je hem niet meer af,” zegt hij. “Dat blijft in zijn genen zitten.” Sijmonsma ziet ook duidelijk verschil tussen verwilderde katten en huiskatten. “Een huiskat dartelt rustig door het veld als hij mij ziet. Maar een verwilderde kat gaat door zijn achterpoten en is weg.” Daarna volgt een zorgvuldig proces: navragen bij de boer, meerdere keren observeren. “Na de derde of vierde keer ga ik pas tot actie over.”
Toch nuanceert de wetenschap het beeld. Rienk Fokkema, ecoloog bij onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga en actief betrokken bij weidevogelonderzoek in Friesland, zag op zijn cameravallen dat katten weliswaar de meest aanwezige soort waren in het weidevogelgebied — maar dat ze lang niet altijd voor problemen zorgen. “Je kan wel veel katten zien in je gebied, maar dat betekent niet per direct dat ze ook een probleem zijn. Het zijn vaak specialisten die lokaal impact kunnen hebben.” Bovendien wijst hij op een cruciale blinde vlek: het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van het afschot is er simpelweg niet. “Het is meer een soort voorzorgsprincipe dat het gebeurt. We weten niet wat de situatie was geweest zonder. Je hebt nooit een controle gehad.”
Fokkema schetst een complexer beeld van de weidevogelproblematiek. De achteruitgang van de grutto — met vijf procent per jaar op nationaal niveau — heeft weinig met één boosdoener te maken. “Van jaar tot jaar verandert het, en van gebied tot gebied verandert het wie daar de nesten op eet. Er is niet één boosdoener aan te wijzen.” Hij wijst op de intensieve landbouw, het verdwijnen van insecten, de schaalvergroting van boerenbedrijven en het verkleinen van weidevogelgebieden als de échte oorzaken. “Predatie is altijd het eindproduct. Als je alleen maar die roofdieren aanpakt, bestrijd je het symptoom maar niet de daadwerkelijke oorzaak.”
Carien Radstake onderschrijft dat. “De jagers schieten al tientallen jaren katten af, maar het helpt geen donder. De weidevogel staat er nog steeds onvoorstelbaar slecht voor. Dat ligt aan de intensieve landbouw, aan de gifstoffen, aan het verdwijnen van insecten.” Sijmonsma is het deels met haar eens. “Het biotoop moet in orde zijn,” zegt hij. Maar hij blijft bij zijn conclusie: zolang er geen bewezen alternatief is, blijft afschot noodzakelijk. “Dan moet je zeker weten dat dat aantoonbaar is. Tot nog toe heb ik niks gelezen dat mij overtuigt.” Fokkema denkt daar genuanceerder over. Afschieten hoeft niet per se verkeerd te zijn, maar het mag nooit de enige maatregel zijn — en precies dát is het probleem in Friesland. “Doe wel wat je kan doen, maar focus vooral op dat landschap. Niet denken dat je alles al op orde hebt — dat hoor ik te vaak.” Het gaat om een bredere systeemverandering: grotere aaneengesloten weidevogelgebieden, en boeren die er financieel baat bij hebben mee te doen. “Uiteindelijk gaat de achteruitgang van de grutto en het aantal melkveehouders gewoon hand in hand.” Maar die systeemverandering is er niet. En het bewijs dat het afschot helpt? Dat is er na twintig jaar nog steeds niet.
Fokkema zegt ten slotte : “Als je alleen maar die roofdieren aanpakt, bestrijd je het symptoom maar niet de daadwerkelijke oorzaak.”
Radstake heeft daar een andere mening over : “ Liefst zo snel mogelijk afschot afschafffen, investeren in TNRC en dan kunnen we met z’n allen aan de bak om het zwerfkattenprobleem in Friesland echt op te lossen.”